Home Home
Email Email

Inhoudsopgave huidige nummer Inhoudsopgave
Vorige artikel Vorige artikel
Volgende artikel Volgende artikel

[jaargang 01, nummer 01]

Harry Ganzeboom: Anchorman

Prof. dr. H.B.G. Ganzeboom, beter bekend als Harry, is de meest informele professor van Nederland en schroomt niet om in korte broek college te geven. "Alle sociologen bestuderen problemen die met hun eigen situatie te maken hebben; mensen die huwelijken bestuderen zijn zelf ongetrouwd of homoseksueel. Sociale mobiliteit wordt bestudeerd door stijgers die slecht aarden in een hogere statusgroep." Reden te over dus voor een gesprek over de stratificatie en mobiliteit van de Anchorman van de Utrechtse sociologie.


Patricia van Echtelt

Hoe zwaar is het leven als hoogleraar?
Het leven als hoogleraar is zwaar en erg druk. Naast het onderwijs dat ik geef ben ik namelijk directeur van de opleiding en zit ik in het vakgroepbestuur. Verder zit ik in de opleidingscommissie en schrijf alle verslagen en rapporten van de opleiding, zoals de jaarverslagen, het visitatierapport en de studiegidsteksten. Deze activiteiten brengen contacten met zich mee die je moet onderhouden, met de decaan en met iedereen die er wat mee te maken heeft. Onderwijs geven en onderzoek doen, zijn dus zeker niet de enige factoren van het hoogleraarschap, je moet namelijk erg veel vergaderen (zucht).

Wat voor beeld had je vroeger van een professor en voldoe je nu aan dat beeld?
Ik had er geen scherp beeld van. Nu nog steeds niet. Wel veranderen er dingen als je hoogleraar wordt. De mensen luisteren beter naar je en ze zien je beter staan, vooral buiten de eigen vakgroep. Je hebt iets om mee te zwaaien en dat heeft zeker voordelen. Ik sta op meer adreslijsten en word voor veel dingen gevraagd. Toen ik na mijn functie als universitair hoofddocent hoogleraar werd, had ik daar eerlijk gezegd niet zo op gerekend. In principe functioneer je namelijk in de ene functie niet wezenlijk anders dan in de andere, maar de buitenwereld kijkt er toch anders tegenaan.
Als hoogleraar heb je meer beslissingsmacht, eindverantwoordelijkheid, initiatief en de mensen kijken meer naar je dan in de functie van universitair hoofddocent. Dit hangt echter heel erg af van hoe je zelf optreedt als docent. Ik had datgene wat ik nu doe in de functie van universitair hoofddocent beter kunnen doen. Bovendien had ik er meer tijd aan kunnen besteden. De status die samengaat met professor zijn, had ik net zo lief niet.
Natuurlijk wil ik niet ontkennen dat hoogleraar een prachtige baan is. De enige uitweg uit deze baan met hetzelfde salaris zou een functie in het bedrijfsleven zijn en dat wil ik niet. Ik denk dat ik weinig betekenis voor de mensheid heb als organisator. Als onderzoeker en als docent ben ik veel beter. Ook vind ik zo'n functie niet interessant, omdat daarin nog meer vergaderd moet worden en er stapels rapporten moeten worden geschreven. Dat is het aspect wat ik nu het minst leuk vind. Waarom zou ik dat meer gaan doen?

Hoe zit het met je eigen cultuurdeelname en sociale stratificatie? Kun je jouw hoge status uit bepaalde factoren verklaren?
Ik zou niet weten hoe ik zou moeten verklaren waarom ik socioloog ben geworden. Mijn vader was grossier in vlees en mijn ouders hadden een eigen zaak. Geen van mijn broers of zussen heeft aan de universiteit gestudeerd. Het standaardantwoord over mijn cultuurdeelname is dat ik een expert ben op het gebied van de non-participatie. Van sommige vormen van cultuur die ik bestudeer weet ik zelf heel weinig. Het is echter een fabeltje dat ik helemaal onkundig zou zijn. Heel vroeger ging ik bijvoorbeeld veel naar de bioscoop. Hoewel ik dat nu niet meer doe, las ik vroeger ook veel. Mijn favoriete boek is "Lijmen, Het Been" van Elsschot. Je kunt geen socioloog worden zonder dat boek gelezen te hebben. Mijn eigen kinderen willen overigens nooit mee naar het museum. Mijn oudste zoon is nu zeventien en de jongste is negen. Die interesse zou nog kunnen komen, maar ik denk het niet; toen ik zeventien was hield ik meer van musea dan mijn oudste zoon nu.

Denk je dat studenten van nu anders zijn dan hoe vroeger?
Studenten zijn nu gehoorzamer. Met name in mijn eerste studiejaar, in 1971, was er veel rumoer bij sociologie. Veel studenten gingen toen met een maatschappelijke motivatie sociologie studeren. Er waren studenten die de beginselen van Mao uitriepen, daar zat je dan bij in werkgroepjes. Nu zijn er wel mensen met een maatschappelijke motivatie, maar men is meer individueel bezorgd. Ik zie niet zo gek veel mensen meer die echt actie willen voeren of iets willen veranderen. Ikzelf ben ook sociologie gaan studeren met volstrekt verkeerde motieven. Ik wilde journalist worden. Ik vond dat je journalistiek op een wetenschappelijk niveau moest bedrijven. Ook ik was maatschappelijk gemotiveerd. Ik was veel bezig met democratie op middelbare scholen en bekommerde me toen ook al over onderwijsongelijkheid. Dat type achtergrond leidde mij naar sociologie, want dan zou ik de wereld kunnen veranderen. Daar wilde ik een beschouwende rol in spelen. Ik wilde daar over schrijven en pamfletten maken. Dat idee was ik echter al heel snel kwijt. Ik wist al jaren zeker wat ik wilde, maar dat was ik na twee maanden sociologie studeren kwijt. Ik heb me over dat laatste trouwens nooit bekommerd. Ondanks mijn verkeerde motieven vond ik sociologie gelijk leuk. Dat is leerzaam voor dit soort keuzeprocessen; je kunt plannen wat je wilt, maar er komt toch vaak iets heel anders op je weg.

Wie heeft jouw agenda gemaakt?
Mijn vriendin heeft mijn agenda gemaakt. Hij is mooi, h? Ik heb elk jaar zon zelfgemaakte agenda, steeds iets met de kinderen erop. Toen ze klein waren tekenden ze zelf iets voor de agenda. Nu ze ouder zijn willen ze niet meer tekenen en zit er een foto van hen op. De voorgaande agenda's heb ik allemaal bewaard.

Een aantal jaar geleden zei je in een interview met de sociologenkrant dat je deur altijd open staat, is dat nog steeds zo?
Dat is nog steeds zo, alleen zit ik er niet altijd achter (grinnikt). Dat is de aanvulling die ik wil maken. Ik hou geen spreekuren en ik wil me er ook aan vasthouden om dat niet te doen. ls mensen mij treffen neem ik de tijd voor hen en heb ik aandacht. Het feit dat ik meestal afwezig ben, beschouw ik wel als een probleem. Wat studenten wel altijd kunnen doen is mij bellen. Een e-mail sturen is zeker ook effectief. 's Avonds ben ik wel vaak hier aanwezig. Het gebouw gaat om tien uur dicht maar ik kan gebruik maken van een pasje. Tussen elf en een uur of n zit ik hier rustig te werken in mijn eentje. Dat bevalt me goed, want overdag kom ik vaak niet aan mijn eigen werk toe. Ik ben geen ochtendmens, maar ik probeer wel om negen uur actief te zijn. Vroeger had ik erg de neiging om alles op het eind van de dag te zetten. Met onderwijs is het namelijk vaak zo dat je kapot bent, nadat je het gegeven hebt. Nu heb ik een betere onderwijsconditie dan in het begin. Tegenwoordig heb ik zelfs de lef om onderwijs om negen uur te plannen. Overigens vind ik de huidige studenten gemotiveerd en ze werken hard. Ik ben heel tevreden over hen.